Goed nieuws is beter nieuws

Kritische journalistiek hoeft niet negatief te zijn. Verslaggevers kunnen ook meewerken aan oplossingen, zegt Cathrine Gyldensted. O ja?

Ze zijn grootheden in de journalistiek: Carl Bernstein en Bob Woodward, de onderzoeksjournalisten die in The Washington Post het Watergate-schandaal onthulden. Hun artikel over de ongeoorloofde methoden die waren gebruikt tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen van 1972, leidde tot het aftreden van president Nixon. Het geldt steevast als een der grootste wapenfeiten van de pers als hoeder van de democratie.

Maar voor Cathrine Gyldensted (41), de Deense grondlegger van ‘constructieve journalistiek’, markeert de politieke affaire iets heel anders. ‘Vanaf dat moment zijn we machthebbers bij voorbaat gaan zien als boeven in plaats van als onschuldige mensen die de wereld vooruit kunnen helpen’, zegt ze. ‘Watergate is het begin van een negativiteitsdenken dat niet meer uit de journalistiek is weggegaan.’

Ze zegt het zonder ironie. Gyldensted – kort haar, grote bril, stijlvol gekleed – vertelt via Skype bevlogen over ‘haar’ vorm van journalistiek – een positieve manier van verslag doen, gericht op ‘wat goed gaat in de wereld’. In de praktijk betekent dat: geen nadruk op conflicten en problemen, maar op oplossingen en vooruitgang. ‘De constructieve journalist verdeelt de wereld niet in daders en slachtoffers’, legt ze uit, ‘maar brengt nuances aan en trekt conclusies waarmee de lezer of kijker verder kan.’

Goede verhalen
Voor het scherm verschijnt de voorpagina van de links georiënteerde Deense krant Information. Het is de editie van 17 september, de dag dat de redactie besloot de wereld eens van een andere kant te belichten. ‘Kijk’, wijst Gyldensted met haar vrije hand. ‘Hier staat: welcome to a paper full of hope. En dit, dit verhaal gaat over een plek in Syrië waar de democratie opbloeit. Hier, een stuk over groene technologie. En deze: een Deense stad waar criminaliteit sterk is teruggedrongen, dankzij initiatieven vanuit de gemeenschap.’

Het zijn allemaal voorbeelden van constructieve journalistiek, vertelt ze. ‘De krant bracht de onderwerpen die ze altijd brengt, maar ging een stap verder: wat gaat er wél goed? Wat is er verbeterd? Het zijn goede verhalen. Kritisch, maar genuanceerd.’

Information is niet het enige medium in Denemarken dat experimenteert met constructieve journalistiek. Ook bij steeds meer radio- en televisieomroepen ziet Gyldensted dit soort initiatieven ontstaan. Haar doel is constructieve journalistiek langzaam maar zeker een vast onderdeel te laten worden van het dagelijkse nieuws, zodat we ooit het bijvoeglijk naamwoord kunnen weglaten. Gyldensted: ‘Dan noemen we het gewoon: journalistiek.’

Handboek
Hoewel ze naar eigen zeggen goede reacties krijgt van het publiek, laat de beroepsgroep zich moeizamer overtuigen. Logisch, vindt Gyldensted, sinds Watergate zit bij veel journalisten het idee ingebakken dat goede, kritische journalistiek gelijkstaat aan negatieve journalistiek. Ergo: positief nieuws is onkritisch, ‘zacht’ en onbelangrijk. ‘Die houding moeten we veranderen.’

Haar inspanningen om ‘cojo’ onder de aandacht te brengen, zijn niet vergeefs: op twee van de drie journalistieke scholen in Denemarken krijgen studenten al les in constructieve journalistiek. Sinds twee weken ligt er een handboek – aan de Engelse versie wordt gewerkt – en ook zijn er plannen voor een kenniscentrum; zodra de financiering rond is, vinden er lezingen en debatten plaats. Om constructieve journalistiek ook in de wetenschap voet aan de grond te laten krijgen, studeert een van Gyldensteds studenten dit jaar af op de term.

De constructieve wind waait ook buiten Denemarken. Hoewel niet helemaal voor het eerst – het begrip kent overeenkomsten met de activistische journalistiek uit de jaren zeventig en de civiele (publieke) journalistiek die vanaf de jaren negentig opkwam – schuiven steeds meer media op naar een positieve vorm van informatievoorziening. In The New York Times-rubriek Fixes gaan journalisten op zoek naar oplossingen voor sociale problemen. The Washington Post introduceerde onlangs The Optimist, een wekelijkse nieuwsbrief met ‘hopeful stories’.

Martyn F. Overweel
Martyn F. Overweel

Nieuwe lezers
Volgens Gyldensted zijn dit soort verhalen ook belangrijk omdat het nieuwe lezers trekt. Ze denkt dat mensen moe zijn van de constante stroom negatieve berichten en dat het oude krantenadagium ‘slecht nieuws is goed nieuws’ aan het wegebben is. ‘Uit meerdere onderzoeken blijkt dat nieuws ons passief en cynisch maakt. We kunnen het niet meer behappen. Niet voor niets heeft een website als The Huffington Post het meeste succes met de rubrieken Impact en Good News.’

Zelf werkte Gyldensted twaalf jaar lang als onderzoeksjournalist voor het Deense avondjournaal. Ze maakte items over de meest uiteenlopende onderwerpen, van honger in Afrika tot verkiezingen in eigen land. De omslag kwam toen ze in 2008 als correspondent in de Verenigde Staten verslag deed van Amerikanen die dakloos waren geworden door de recessie.

‘Er waren nieuwe cijfers die lieten zien hoe ernstig de situatie was. Ik had onderzoek gedaan en hoefde alleen nog maar wat mensen te spreken. In een daklozencentrum interviewde ik een vrouw. Ik vroeg haar hoe ze zich voelde, hoe verschrikkelijk het moest zijn om opeens op straat te staan. Maar zij weigerde mee te gaan in de manier waarop ik haar benaderde: als slachtoffer. Ze zei: ‘Natuurlijk is het zwaar geweest, maar er zijn ook goede dingen uit voortgekomen. Ik heb een betere band gekregen met mijn zoon. En ik heb mensen ontmoet die ik anders nooit had leren kennen.’

Waakhondfunctie
Het gesprek bracht Gyldensted van haar stuk. Ze had die antwoorden niet verwacht. ‘Toch maakte ik die radioreportage. De volgende dag ontving ik een stroom aan e-mails van luisteraars, ze vonden het verhaal eye-opening, inspirerend. Toen wist ik: er moet iets veranderen aan de manier waarop we ons publiek voorzien van informatie.’

De waakhondfunctie en het doen van onderzoek staan nog steeds voorop, maar daarnaast zouden journalisten volgens Gyldensted een constructieve rol kunnen vervullen. Bijvoorbeeld door verslag te doen van gebeurtenissen zonder vooraf een negatief standpunt in te nemen. ‘Ik zeg niet dat machthebbers geen boeven zijn, maar ze kunnen het ook níét zijn. Net als slachtoffers: iemand die een ramp meemaakt is niet per definitie een zielig hoopje mens. Tegenovergestelde verhalen moeten we ook vertellen.’

Ze noemt Swerige Radio, een Deens radiostation dat in politieke debatten probeert zich niet alleen te richten op datgene waar partijen het over oneens zijn, maar ook op welke standpunten ze elkaar kunnen vinden. Het laat volgens haar zien dat constructieve journalistiek wel degelijk kritisch is. ‘Je kunt politici beter verantwoordelijk houden voor hun beloftes en uitspraken dan wanneer ze alleen maar met modder gooien. Als de resultaten niet zijn behaald, kun je weer vragen: waarom niet? Wat moet er gebeuren? Wie pakt het op en wanneer? In mijn beleving vinden politici dit soort vragen moeilijker dan wanneer ze gewoon een standaardmediapraatje kunnen afdraaien over wat de ander verkeerd doet.’

Wat nu?
Ook in België gaan media aan de slag met constructieve journalistiek. Björn Soenens, de hoofdredacteur van het Vlaamse VRT Nieuws, wil mensen ‘verbinden’ in plaats van het ‘conflicten oppoken’, schreef hij onlangs in een column op de website van tijdschrift Knack. ‘Als de paniek over ebola het grootst is, maken wij een item over wat je kunt doen tegen ebola en geven we ook de cijfers mee over de slachtoffers van ziekten waarover nooit meer wordt bericht.’ Constructieve journalistiek is de toekomst, denkt Soenens. ‘De pers als waakhond, maar dan zonder oogkleppen, door méér te zien dan alleen het haar in de soep.’

In Nederland komt constructieve journalistiek als uitgesproken nieuwsvorm minder op gang, al zijn er wel initiatieven. Bas Mesters, voormalig NRC- en NOS-correspondent in Italië en nu directeur van de hbo-opleiding Journalistiek in Zwolle, richtte drie jaar geleden one11.nl op, een website waarop ruim honderd correspondenten, verslaggevers en columnisten van diverse media oplossingsgerichte verhalen schreven. ‘Het eerste weekend hadden we 100 duizend unieke bezoekers’, zegt hij. ‘Dat was veel, zeker in die tijd.’

Toch heeft One11.nl maar een half jaar bestaan. ‘Het was meer een signaal dan een product’, zegt Mesters. ‘Zo van, op die manier kun je óók journalistiek bedrijven. Het is geen goednieuwsshow: de problemen noem je, en dan ga je een stap verder. Aan de klassieke vijf w’s, wie wat waar waarom wanneer, voeg je een zesde toe: wat nu?’

Daders en slachtoffers
Volgens Nico Drok, pleitbezorger van het vergelijkbare civiele (publieksgerichte) journalistiek en Lector Media & Civil Society op Windesheim, is er bij Nederlandse journalisten ‘een bepaalde verlegenheid’ om zich volledig te richten op het positieve. ‘Het denken in daders en slachtoffers is hardnekkig bij ons. Wij stoere journalisten hebben het over conflicten. Als een truck een menigte in rijdt, is er maar één vraag: is de hulpverlening al op gang? Zo niet, dan hebben we weer iemand die we kunnen aanpakken.’ Om constructieve journalistiek in Nederland echt voet aan de grond te laten krijgen, moeten journalisten eerst een omslag maken in het denken, denkt Drok.

Peter Vasterman, mediasocioloog aan de Universiteit van Amsterdam, vindt dat onzin. Hij ziet al talloze positieve verhalen in de media. Zoals de jarenlange rubriek op de achterpagina van de NRC, waarin mensen probeerden een positieve invulling te geven aan hun laatste levensdagen. Typerend vindt hij ook de berichtgeving over MH17, waar het gevoel van eenheid en maatschappelijke rouw voorop stond. ‘De kritische vragen kwamen later.’

Het lijkt Vasterman alleen niet wenselijk dit soort invalshoeken de maatstaf te maken van de journalistiek. Met het vooruit willen helpen van de samenleving, schiet de journalist zijn doel voorbij, meent hij. ‘Nieuwsmedia fungeren in eerste instantie als waarschuwingssysteem. Mensen willen weten wat er speelt, dat zit in onze risicoperceptie. We scannen voortdurend de omgeving op dreigingen en gevaren. De belangrijkste functie van de journalistiek is voorzien in die behoefte.’

Naïef
Bovendien vindt hij het naïef om te denken dat je als journalist oplossingen bedenkt voor problemen waar de politiek al jaren ‘de tanden op stukbijt’. ‘Zomaar met oplossingen komen voor een ingewikkeld systeem als de zorg, waarin miljarden omgaan en dat zo veel partijen en belangen kent, lijkt me een enorme overschatting van de mogelijkheden van de journalist. Er zit ook zo’n idee achter dat iedereen jouw oplossing wel zal omarmen als je maar met een goede oplossing komt. Maar wat goed is voor de ene groep burgers, is slecht voor de andere.’

Neem journalistiek platform De Correspondent, dat ‘de waan van de dag’ wil overstijgen en de ‘dieperliggende structuren en ontwikkelingen achter het nieuws’ wil laten zien. Vasterman komt veel stukken tegen met de wens samen met de lezers te zoeken naar oplossingen. ‘Maar veel meer dan wat ideeën of een bijeenkomst levert dat niet op’, zegt hij. ‘Natuurlijk is schrijven over oplossingen zinvol, maar wat doet de journalist die al tig keer heeft geschreven over oplossingen voor het asielvraagstuk? Die gooit de handdoek in de ring – er verandert toch niks – en gaat weer een ander onderwerp doen.’

Zowel Gyldensted als Mesters en ook Drok reageren op deze kritiek door te stellen dat de journalist vroeger misschien een neutrale buitenstaander was, maar dat de maatschappij om een andere houding vraagt. ‘De journalistiek verandert snel en treedt steeds meer in dialoog met het publiek’, zegt Mesters. ‘Journalisten, kranten en sites zijn naarstig op zoek meerwaarde voor hun afkalvend betalend publiek te genereren. Een rol als facilitator in het debat over problemen én over oplossingen, is zo’n nieuwe kans.’

Dit artikel verscheen op 18 november 2014 in de Volkskrant. Bekijk hier het stuk in PDF: 1, 2

Goed nieuws is beter nieuws1 kopieGoed nieuws is beter nieuws2 kopie

Geef een reactie