Nobody Home brengt een noodkreet in het theater

Ze zijn alle vier 25, zaten op de toneelschool in Maastricht en zijn hun land van afkomst ontvlucht. ­Over dat verleden maakte Daria Bukvic de voorstelling Nobody Home, om vluchtelingen een gezicht te geven.

Het verhaal van regisseur Daria Bukvic lijkt op dat van Majd Mardo, Vanja Rukavina en Saman Amini. Alle vier zijn ze in 1989 geboren. En alle vier kwamen ze terecht in een Nederlands asielzoekerscentrum, nadat ze waren gevlucht vanwege de oorlog of de politieke situatie in hun land. De twintigers ontmoetten elkaar een paar jaar geleden op de toneelschool in Maastricht.

In Nobody Home vertellen ze met vrolijke ernst over hun ervaringen, waarbij ze in humoristische monologen de uitwassen van de vluchtelingenproblematiek, het onbegrip van de omgeving en pijnlijke cultuurverschillen blootleggen. ‘Wereldwijd zijn 52 miljoen mensen op de vlucht’, zegt Bukvic. ‘Met de voorstelling wil ik de mensen achter de getallen een gezicht geven. Het zijn niet alleen onze verhalen, maar ook die van miljoenen anderen.’

Daria Bukvic was 3 toen ze met haar moeder voormalig Joegoslavië ontvluchtte. Ze groeide op in Limburg en ging op haar 18de naar de toneelschool om regisseur te worden, volledig geïntegreerd in de Nederlandse samen­leving. Toen ze een paar jaar geleden bij toeval langs een asielzoekerscentrum fietste, realiseerde ze zich hoe ver ze van haar verleden als oorlogsvluchteling af was komen te staan.

‘Ik zag drie jongens op een bankje zitten en betrapte mezelf op de gedachte: als ik ze maar niet aankijk, bestaan ze niet. Daar schrok ik van. Blijkbaar was ik zo losgekoppeld van dit onderwerp, dat ik me helemaal niet meer met deze mensen identificeerde.’ Ze besefte dat ze haar vluchtverhaal naar het toneel moest vertalen. Niet voor zichzelf, maar om anderen te laten zien wat een vluchteling doormaakt.

‘Als iemand die aan den lijve heeft ondervonden hoe het is in zo’n centrum te zitten, totaal onbewogen langs deze jongens kan fietsen, hoe klein moet dan wel niet het inlevingsvermogen van anderen zijn iets te begrijpen van vluchtelingenproblematiek?’ Toen ze op de toneelschool ook nog drie acteurs ontmoette met een soortgelijk verhaal, die in hetzelfde jaar waren geboren, viel alles op zijn plek. ‘Dit kan geen toeval meer zijn, dacht ik, wij móéten deze voorstelling nu maken.’

Tijdens de voorstelling is Bukvic kritisch over het huidige asielbeleid. Een van de acteurs die hun verhaal doen, is Saman Amini. Hij vluchtte met zijn ouders uit Iran en wachtte in Nederland zes jaar op een verblijfsvergunning, waarvan zes weken in een detentiecentrum – een mooi woord voor gevangenis, zegt Bukvic. ‘Saman en zijn zusje kregen geen onderwijs. Ze woonden in cellen en mochten twee uur per dag luchten op een binnenplaats. Dit zijn barre omstandigheden, waarvan veel mensen geen weet hebben.’

Toen Saman Amini en zijn familie na zes jaar een verblijfsvergunning kregen, kwamen ze in Chaam te wonen. Samen met zijn zusje ging hij de buurt verkennen. Ze kwamen een hondje tegen dat ze meteen begonnen te aaien. Het beest begon te blaffen. Zijn baasje zei: dat mag hij gerust doen, blaffen naar jullie. Nog geregeld krijgt Amini ­racistische opmerkingen naar zijn hoofd geslingerd of wordt hij geweigerd bij de discotheek, vertelt hij op het toneel. ‘Ik krijg vaak verbaasde reacties als ik hierover vertel. Het is een kant van Nederland die veel mensen helaas niet kennen.’

De vier theatermakers willen meer bewustzijn creëren over wat het betekent terecht te komen in een land waar je je niet welkom voelt. Acteur Majd Mardo groeide op in Syrië in een welgestelde familie en vluchtte op zijn 8ste naar Nederland. ‘Ik vond het verwarrend, vooral omdat ik dacht dat we op vakantie waren. Dat hadden mijn ouders mij verteld. We gingen altijd naar vijfsterrenhotels, daar leek dit in de verste verte niet op.’

Hij vertelt dat zijn vader het gezin op een dag mee uit eten nam in het dorp Gasselte, waar ze met de nek werden aangekeken door de serveerster. Mardo: ‘Ze maakte onze frietjes expres heel zout. Toen mijn vader daar iets van zei, antwoordde ze bits: ‘This is how we eat it in Holland.’ Mijn vader werd boos en riep: ‘Oh yeah? Then this is how we eat it.’ Hij smeet het bord op de grond, legde het geld op tafel en liep met ons de deur uit. Het is ontzettend frustrerend om alles te hebben en dan opeens het gevoel te krijgen dat je niets be­tekent.’

Alle vier herinneren ze zich de spanning onder de bewoners in het asielzoekerscentrum. ‘Ik heb nog nooit zo vaak mensen zien vechten als in mijn jaren in het azc’, zegt Saman Amini. De ouders van Vanja Rukavina hielden hem voortdurend dicht bij zich. ‘Ze waren bang dat mij iets zou overkomen. Veel asielzoekers zijn gefrustreerd en getraumatiseerd door wat ze hebben meegemaakt. Je weet niet waartoe zij in staat zijn.’

‘Als kind ben je je er niet van bewust dat die oude mannen zo raar doen omdat hun kinderen voor hun ogen werden ­vermoord’, zegt Bukvic. Ze vindt het jammer dat ook in de buitenwereld vaak onbegrip overheerst. ‘Als er ruzie uitbreekt in een azc, wordt daar vaak negatief over bericht. Terwijl: vind je het gek? Honderden getraumatiseerde mensen, met verschillende nationaliteiten, worden in één gebouw gezet en moeten het maar zien te rooien met elkaar.’

Door het vertellen van persoonlijke verhalen, willen de vier theatermakers laten zien wat in het hoofd van een vluchteling omgaat. Bukvic hoopt op een dialoog die ook buiten het theater wordt gevoerd. ‘Het is bijna een noodkreet: rijd die jongens op dat bankje niet voorbij, zoals ik deed, maar práát met ze. Alleen dan kunnen we elkaar beter leren begrijpen.’

Leven en lot
Wat is toeval, wat is geluk, en wanneer heeft iets zo moeten zijn? Met die vraag in haar achterhoofd maakte regisseur Daria Bukvic’ de voorstelling Nobody Home. Een van haar anekdotes: ‘Ik was 3 jaar oud toen ik met mijn moeder voormalig Joegoslavië moest ontvluchten. Aange­komen bij de grens met Kroatië bleek dat de laatste intact gebleven brug net was gesloten. Mijn moeder smeekte de dienstdoende soldaat ons eroverheen te laten gaan. De slagboom ging omhoog, wij bereikten ­Zagreb. Drie uur ­later zagen we op tv dat die brug werd bestormd en gebombardeerd. Honderden mensen stonden er nog op. Wat als die soldaat niet over zijn hart had gestreken? Wat als we later bij die brug waren aangekomen? Dan waren wij er misschien niet meer geweest. Dan was deze ­voorstelling er ook niet geweest. Het zijn gedachten die ­constant door mijn hoofd spoken.’

Dit stuk verscheen op 11 december 2014 in de Volkskrant. Bekijk het artikel online of in PDF.

Geef een reactie