‘Thuis’ is een foto aan de muur

Je propedeusebul ophalen in je eentje. Je geboorteland alleen nog op een foto kunnen bekijken. Argwaan ontmoeten omdat je een ‘gelukszoeker’ bent. Twee Syrische studenten, die na een lange en moeilijke reis in Nederland aankwamen en hier inmiddels studeren, vertellen hun verhaal. 

Peshmerge Morad, Foto's: Bram Belloni
Foto’s: Bram Belloni

Peshmerge Morad, in Nederland sinds juni 2012, student informatica (HvA)

Het is woensdagmiddag vijf uur: borreltijd op de HvA. De hal van het Kohnstammhuis vult zich langzaam met uitgelaten studenten HBO-ICT, die zojuist hun propedeusebul in ontvangst hebben genomen. Hangend aan de feestelijk versierde statafels doen ze zich tegoed aan de plakjes leverworst en stukjes zalmwrap, waarna ze met hun ouders proosten op de eerste overwinning van hun studie: het behalen van hun P.

Gewoon doorgaan
Peshmerge Morad (25) staat er wat verloren bij. In zijn ene hand houdt hij een roos, in zijn andere een blikje bier. Uit zijn rugzak steekt een opgerold diploma. Het liefst zou hij deze mijlpaal ook willen vieren met zijn ouders, maar zij wonen nog in Syrië. Hij haalt zijn schouders op. ‘Ik probeer er maar niet te veel bij stil te staan, anders voel ik me zo alleen.’ Gewoon doorgaan, is zijn devies. ‘Dat werkt altijd het beste.’

Peshmerge vluchtte drie jaar geleden in zijn eentje naar Nederland. Zijn familie behoort tot de Koerden, een etnische minderheid die in Syrië wordt onderdrukt. Een oom van Peshmerge zit al ruim dertig jaar in de gevangenis, een verre neef is door het regime ontvoerd en vermoord. Als in 2011 de revolutie uitbreekt, ziet de dan 21-jarige student Peshmerge dat als een kans eindelijk zijn stem te laten horen. Hij gaat de straat op, demonstreert, deelt flyers uit. Op Facebook uit hij kritiek op de regering Al-Assad, die al sinds 1971 aan de macht is.

Mensensmokkelaar
Hoewel zijn protest altijd vreedzaam is, komt het geweld steeds dichterbij. Als de politie bij een demonstratie een van zijn vrienden voor zijn ogen doodschiet, wordt Peshmerge bang. Via de telefoon wordt hij met de dood bedreigd. Hij durft niet meer naar buiten, zelfs niet naar de universiteit. ‘Op een gegeven moment denk je alleen nog maar: ik moet hier weg.’

Peshmerges vader betaalt veel geld aan een mensensmokkelaar om zijn zoon het land uit te krijgen. In Turkije stapt hij met acht mensen in een rubberen boot, die hij zelf moet oppompen. Het is midden in de nacht en pikdonker. Peshmerge is bang, want hij kan niet zwemmen. Even denkt hij: misschien overleef ik dit niet. ‘Dat gevoel, dat je zo dichtbij de dood bent, is onbeschrijflijk,’ vertelt hij, zittend in een van de studiehokjes op de HvA. Beneden is het geluid van borrelende studenten hoorbaar.

Gelukkig komt hij veilig in Griekenland aan. Een andere boot redt het niet en slaat om, Peshmerge ziet een zwangere vrouw en haar peuter verdrinken. Even daarvoor had hij ze nog aan boord geholpen. ‘Nu zeg ik tegen mezelf: je bent een klootzak. Die vrouw was zo bang, ik zei tegen haar dat het goed zou komen.’ Hij wordt verdrietig als hij eraan denkt. ‘Ik heb haar gewoon in de steek gelaten. Zo voelt dat.’

In Nederland komt hij terecht in Oudesluis, een dorpje vlakbij Den Helder. Hoewel hij vrij is, voelt hij zich een gevangene in zijn eigen huis. In het dorp wonen bijna geen jongeren. Op straat heeft hij weinig aanspraak, sommige buren kijken hem argwanend aan. ‘Het was moeilijk een praatje te maken. Het waren geen intellectuelen, ze stonden onwelwillend tegenover vluchtelingen en zagen mij als gelukzoeker die gemakkelijk aan een huis was gekomen. Ze snapten niet dat ik was gevlucht door oorlog.’ In muziek vindt hij een uitlaatklep. Hij stort zich op de duduk, een Armeens instrument dat hem aan thuis doet denken. ‘Mijn moeder vroeg: waarom kies je van alle instrumenten er eentje uit die je verdrietig maakt? Ik zei: juist daarom. Zo kan ik verdriet met verdriet bestrijden.’

Nu woont Peshmerge in Hoofddorp en studeert hij informatica aan de HvA. Hij spreekt vloeiend Nederlands, al is hij zelf nog niet tevreden over zijn uitspraak. ‘Bagger’ noemt hij die. Vooral de ‘ui’ is moeilijk. ‘Huis, tuin, uit. En dan in combinatie met andere klanken: tot nu toe. O, u, oe. Hoe doen jullie dat?’ vraagt hij ongelovig. Om zijn talenkennis te verbeteren leest hij zo veel mogelijk. Het begon met het wekelijks doorspitten van Folia, inmiddels is hij bezig in Rondom 10, een boek van Cees Grimbergen over de Nederlandse samenleving. ‘Dat jullie zoveel vergaderen vind ik verbazingwekkend, dat wist ik helemaal niet.’ Ook luistert hij liedjes van Boudewijn de Groot.

Vragen over Syrië
Peshmerge is dankbaar voor de kan- sen die hij in Nederland krijgt. Stich- ting UAF hielp hem met het aanvragen van studiefinanciering. Ook door de HvA voelt hij zich gesteund. Bij tentamens mag hij een woordenboek gebruiken en krijgt hij – net als studenten met dyslexie – extra tijd. Over sommige gewoontes, zoals de omgang met docenten, verbaast hij zich nog wel eens. ‘Studenten zeggen gewoon je en jij en “Dit is kut”, dat ben ik niet gewend. In Syrië toon je respect door oudere mensen aan te spreken met u. En je zit al helemaal niet onderuitgezakt in de klas.’

Ook de omgang tussen mannen is hier anders, merkt hij. ‘In Syrië voelen jongens zich vrij elkaar aan te raken. We stoeien, omhelzen elkaar en geven twee zoenen als we elkaar zien. Hier wordt dat meteen verkeerd begrepen. Toen ik vorig jaar een hand op de schouder van een klasgenoot legde, schrok die zich rot. Dat doe ik maar niet meer.’

Soms stellen zijn medestudenten hem vragen over Syrië, bijvoorbeeld als ze er in het nieuws iets over hebben gelezen. Dat vindt Peshmerge fijn. Het laat zien dat ze geïnteresseerd zijn. Eén tip wil hij nog wel meegeven: ‘Studenten gaan snel lachen, bijvoorbeeld als je woorden op een verkeerde manier uitspreekt. Doe dat niet. Bedenk hoe moeilijk het is om op je 22e opnieuw te beginnen in een ander land. Hoe zou jij het vinden, als je opeens Arabisch moet leren spreken?’

Khaled Alkabouni
Foto’s: Bram Belloni

Khaled al Kabouni, in Nederland sinds januari 2014, student Information Studies (UvA) 

Het appartementje van Khaled al Kabouni (31) in Amsterdam-Noord geeft uitzicht op een typisch Nederlands tafereel: een peuter stampt met rode laarsjes door de plassen, terwijl zijn vader met een bakfiets aan de hand toekijkt.

De Syriër ontvangt zijn bezoek op de donkerblauwe Ikea-bank in zijn woonkamer, die verder is ingericht met een televisie, een tafel en twee stoeltjes; meubels die hij met een lening van de gemeente heeft kunnen kopen. Op het aanrecht in de keuken staat een pak hagelslag. Het enige dat aan Khaleds geboorteland doet denken is een foto aan de muur van een straat in Damascus, de plek waar zijn grootouders vroeger woonden.

Khaled vond het beeld op internet en liet het op canvas drukken. ‘Soms kijk ik ernaar en voelt het alsof ik weer even thuis ben,’ zegt hij. Drie weken geleden begon hij met de master Information Studies aan de UvA. Tot nu toe valt het mee. Khaled wijst naar zijn laptop, die naast hem staat. ‘Opdracht: Business Process Management’, staat er op het beeldscherm. Deadline: 24 september, 9 uur. Hij moet er nog aan beginnen, maar het wordt vast een makkie – in Syrië werkte Khaled zeven jaar bij een telecombedrijf. Later vanmiddag heeft hij een Skype-overleg met zijn werkgroepje.

Welkome afleiding
Zijn dagen duren lang. Khaleds lessen beginnen meestal ’s middags en eindigen pas ’s avonds laat; tussendoor volgt hij Nederlandse les. Gisteren stond hij om vijf uur op om alle artikelen te lezen die voor het hoorcollege waren opgegeven. Toch biedt de studie een welkome afleiding. Alles is beter dan afwachten in het asielzoekerscentrum, vertelt Khaled. ‘Toen ik vorig jaar in Nederland aankwam, kreeg ik vrij snel een verblijfsvergunning, maar duurde het nog ruim een jaar voordat ik ergens kon wonen. De verveling in het azc is enorm. Je leeft afgezonderd van de wereld, ik voelde me eenzaam en depressief. Ik ben blij dat ik nu iets van mijn leven kan maken.’

Martelkamer
In 2011, als de Arabische Lente op een hoogtepunt is en na Egypte, Tunesië en Libië ook in Syrië de revolutie uitbreekt, gaat Khaled al snel mee de straat op om te protesteren. Een activist zou hij zichzelf niet noemen, meer een geïnteresseerde burger die betere voorzieningen wil voor zijn land. De Syriërs leven onder het regime van president Al-Assad voortdurend in angst. Khaled: ‘We konden in principe overal over praten: seks, muziek, zelfs religie. Maar zodra het over politiek ging, was er zero tolerance. Als ik langs een overheidsgebouw liep, wist ik: nu moet ik stil zijn.’

Hoewel de alevieten, een aftakking van de sjiitische islam waar Al-Assad toe behoort, een minderheid vormen, heeft deze groepering de macht over het leger, de inlichtingendiensten, de politiek en de economie. Wanneer grote delen van Syrië onder vuur komen te liggen en duizenden mensen dakloos worden, besluit Khaled samen met zijn vrienden een ondergronds netwerk op te zetten dat voedsel, babymelk en dekens naar de getroffen gebieden vervoert.

De verzetsgroep wordt al snel ontmaskerd: enkele vrienden van Khaled worden opgepakt en gemarteld. Eén meisje breekt wanneer ze jammerende geluiden van haar vriend uit de martelkamer hoort komen en biecht alles op. Bij Khaled thuis gaat de telefoon. ‘Je moet het land verlaten. Nu.’ Het meisje wordt vrijgelaten, van de jongen is nooit meer wat vernomen. Khaled gaat ervan uit dat hij niet meer leeft.

Koekjes met dadels
Uit angst voor represailles wil Khaled over zijn vluchtverleden niet te veel kwijt. Na een lange reis, met veel omwegen door het Midden-Oosten en Europa, komt hij in januari 2014 aan in Nederland. Terwijl hij wacht op zijn verblijfsvergunning zoekt hij contact met het UAF, de stichting die hoogopgeleide vluchtelingen helpt bij het oppakken van hun studie. Zijn bachelordiploma Technical Engineering en masterdiploma Business Administration worden hier wel erkend, maar een Nederlands diploma vergroot zijn kansen op de arbeidsmarkt, zo krijgt hij te horen. Daarom schrijft hij zich in voor een eenjarige master in Amsterdam. Van het UAF krijgt hij een beurs om zijn collegegeld te betalen.

Halverwege het gesprek springt Khaled plotseling op van de bank. ‘Wacht, deze moet je echt even proberen.’ Hij haalt een koektrommel uit de kast en vist er ma’amoul uit: Syrische koekjes met dadels erin. Khaled kreeg ze van zijn familie, die hij onlangs in Saoedi-Arabië trof. Het was fijn even bij ze te zijn, vertelt hij. ‘Toen ik Syrië verliet, wist ik niet of ik mijn ouders ooit weer zou zien.’ Elke dag is hij bang dat er iets met hen gebeurt. Op Twitter volgt hij iedere minuut het nieuws, zodat hij ze zo nodig kan waarschuwen. ‘Vorige week nog sloeg een mortier in het gebouw waar mijn zus werkte. Gelukkig overleefde ze het.’

Vies woord
Een halfjaar woont Khaled nu in Amsterdam. Hij probeert zich de Nederlandse taal en cultuur eigen te maken en heeft een Nederlands vriendinnetje. Toch voelt hij zich een buitenstaander. Als hij op verjaardagen zegt waar hij vandaan komt, valt er soms een ongemakkelijke stilte. Eén keer begonnen enkele jongens in het Nederlands over hem te praten waar hij bij stond. ‘Ze noemden me een vluchteling, alsof het een vies woord was. Maar ze hadden geen idee dat ik ze verstond. Ik vond dat verwarrend. Waarom praatten ze niet gewoon met me?’

Op de universiteit is dat anders, daar ontmoet hij juist een open houding. Zijn klasgenoten informeren regelmatig hoe het met hem en zijn familie gaat. Zelf denkt Khaled dat dit met de mentaliteit te maken heeft. ‘Hoogopgeleide Nederlanders zijn ruimdenkend, ze staan open voor andere culturen. En we hebben het hier over Amsterdam, niet Lutjebroek. Inwoners van de hoofdstad zijn wel wat gewend.’

Folia 4 jaargang 2015 2016 kopieWel moet hij wennen aan de directheid van sommige klasgenoten. ‘Als we in Syrië moeten samenwerken, is het heel normaal dat de een wat meer doet dan de ander. Hier wordt er meteen wat van gezegd als iemand weinig uitvoert. Syriërs pakken het wat diplomatieker aan als ze zeggen dat hun iets dwarszit.’

Dit artikel verscheen op 23 september 2015 in de vluchtelingenspecial van Folia. Bekijk hier de editie in PDF.

Geef een reactie